Herinneringen aan het vooroorlogse Syrië

Soms dwalen mijn gedachten af naar mijn reizen in het Syrië van voor de oorlog. Onverwachts waren de spontane en belangeloze vriendelijkheid en gastvrijheid van vele Syriërs die ik ontmoette. Vandaag presenteer ik – op basis van mijn oude dagboeken – een ontmoeting lang geleden met een mooie familie op de citadel van Qala’at al-Mudiq.

Het was 1999. Ik stond op een heuvel dat uitkeek over de vlakte van Al-Ghrab en de citadel van Qala’at al-Mudiq. Eeuwenoude karrensporen stonden in de stenen voor mijn voeten gekerfd. Het was een oude Griekse weg, met Griekse en Romeinse zuilen er rond. Ik struinde in deze oude ruïne in een verlaten boerengat in Syrië. Krekels raspten, vluchtende salamandertjes en muizen ritselden. Steen en stof. Distels, boterbloemen en grassen groeiden over en tussen oude door mensenhanden bewerkte stenen. Deze ruïne, Apamea genaamd, zette me aan het mijmeren over de vergankelijkheid van alle grote rijken, van macht en geld, van gouden standbeelden en marmeren paleizen, van roem en eer.

Stil was het, plots doorbroken door een brommend geluid. Twee mannen hotsten over de stenen op een brommer. Ze nodigden mij en mijn vriendin uit bij hen thuis. We reden achterop het Qala’at Al- Mudiq op. We passeerden de 13de eeuwse fortmuren van de Mamelukken, de ooit beruchte Turkse soldaat slaven die de onoverwinnelijk gewaande Mongolen overwonnen. Ezels, schapen en geiten fourageerden in de nauwe straatjes met ruwe kasseien. We stappen met zere billen af, stappen een tuin binnen, een sprookje van duizend-en-één-nacht. De zichten over de groene vallei van Al-Ghrab, de Orontesrivier en de bergen op de achtergrond sneden de adem af. We maakten kennis met één van de mannen zijn vrouw met en zijn twee kindjes. Een mooi gezinnetje. Een streling en een knuffel van de man voor zijn vrouw. De kindjes giechelen. We verstonden geen snars van elkaar, maar gezellig was het.

Traditionele Syrische kost rustte op een rond tafeltje voor onze voeten: falafels, kekererwtenpasta, komkommer en tomaten, geitenkaas, groene olijven, dadels en vijgen en plat brood. We aten samen met de familie uit één bord. Daarna zakten we in de kussens, een zacht briesje streelde het aangezicht. Muntthee gleed over onze tong. Plakkerige, mierenzoete gebakjes brachten smaakpapillen in extase. Bij het afscheid kregen we ook nog eens een paar oude Griekse en Romeinse munten cadeau die bij hevige regenbuien bloot kwamen te liggen. Een dubbel gevoel: het is rijkdom van het Syrisch verleden en hoort in Syrië. Anderzijds is dit ook alweer pretentieloze gastvrijheid. Ik vroeg me af of we niet plots geld zouden moeten gaan ophoesten, maar neen. Mensen die je spontaan vragen bij hen thuis: ik kwam het tientallen keren in Syrië tegen, nergens zoveel als in dat getourmenteerde land.

Stil was het in dat laatste jaar voor de milleniumwisseling, in de ruïne van Apamea en de citadel van Qala’at Al-Mudiq. Stilte voor de storm, zoals we in 2016 weten. Ik typ nu een passage uit mijn dagboek voor een blog op Liefde voor Reizen. Mensen leren niks van de bloederige geschiedenis van een ruïne als Apamea. Aan de oneindige sliert veldslagen mogen we er immers een nieuwe aan toevoegen. Wie in Google “Qala’at Al-Mudiq” in typt ziet filmpjes met explosies op en rond de citadel. Afbeeldingen van een dood kind. Jammerende ouders. Regeringssoldaten schieten en roepen “God is groot”. Rebellen vuren terug en ook zij roepen “God is groot”. Rebellen bestoken rebellen en roepen “God is groot”. Een tank schiet een stuk uit de collonade van Apamea. Jawel: “God is groot, God is groot”.

Hoe zou het zijn met het gezin, met de twee kindjes? Zouden ze al werken, of nog studeren? Waarschijnlijker is dat ze gewoon overleven, het glazuur van hun tanden klapperend in een ijskoud tentenkamp op de Turkse of Jordaanse grens, of met pijnlijke benen wachten voor de poort van een Dienst Vreemdelingenzaken in Europa. Of horen ze bij de 500.000 dodelijke slachtoffers van deze debiele oorlog? Doodgeschoten? Opgeblazen? Verdronken in zee? Of, tja, schieten en vechten ze, al tierend “God is groot”? Voor Bashar of het Vrije Syrische Leger? Volgens mij zijn knuffels en strelingen dood en begraven op de citadel, kindergegiechel in angst gesmoord. Zijn de dadels en vijgen nog zoet in bittere tijden? Horen we nog het geklingel van lepeltjes in glaasjes muntthee, of het gedaver van bommen en granaten? Het filmpje met explosies en rookpluimen op de citadel verraadt weinig goeds. “Boem”, een fractie later “krak” en “God is groot”. En ik denk aan het gezinnetje in het diepst van mijn gedachten. Als God al groot is, laat hij dan groot zijn voor hen.

Auteur: Jan Fransen
Weblog: www.reizenginderachter.com
Facebook: www.facebook.com/reizenvoorbijdeverbeelding 

Reageer op dit artikel
  1. Auteur

    Ik ben Jan Fransen. In 2015 staat de teller op honderd reizen in vijftig landen. Beroepshalve ondersteun ik ontwikkelingslanden in hun inspanningen om de kwaliteit van hun onderwijs te verbeteren. Maar ook in mijn vrije tijd reis ik, en ik schrijf over reizen, vooral minder bekende bestemmingen. Ik ga dansen (latino) en wandelen, een glas wijn drinken met vrienden en een boekje lezen in een gezellige zaak waar kwaliteitsespresso de neus prikkelt. Ik apprecieer optimisme, vrolijkheid, relativeringsvermogen en humor. Van negativisme, gelatenheid, dweperij en cynisme word ik moe.